Pim Fortuyn Forum
Pim Fortuyn Forum
Home | Profile | Register | Active Topics | WebSearch | Active Polls | Members | Private Messages | Store | Search | FAQ
Username:
Password:
Save Password
Forgot your Password?

All Forums
INFORMATIE vwb Fortuyn
www.Pim-Fortuyn.nl 'Bibliotheek'
Veiligheid, strafrecht en humanisme
New Topic Topic Locked
Printer Friendly
Author Previous TopicTopicNext Topic

Martin Kievits
Ervaren Forumlid (serieus betrokken)

Netherlands
637 Posts

Posted-30 Jun 2003: 13:44:34 Show Profile Send Martin Kievits a Private Message
Een beschouwing over veiligheid, strafrechten humanisme

Hans Boutellier

Hans Boutellier is verbonden aan het Ministerie van Justitie, alsmede aan de afdeling Strafrecht en Criminologie van de Vrije Universiteit. Hij schreef een proefschrift over de morele betekenis van criminaliteit in een postmoderne cultuur, waar van onlangs een Engelstalige bewerking verscheen bij Kluwer Academic Publishers.

Inleiding

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw staat het onderwerp veiligheid in het brandpunt van de belangstelling. In een kwart eeuw is de criminaliteit toe genomen en ernstiger geworden. Bovendien krijgen we meer oog voor de noden van slachtoffers. Alom klinkt de roep om meer en strenger straf rechtelijk optreden. Het strafrecht is weliswaar noodzakelijk, maar uiteindelijk beperkt in zijn mogelijkheden. In en rondom het strafrecht ontwikkelen zich echter nieuwe vormen om het veiligheidsprobleem aan te pakken. Een informatief essay over de mogelijkheden van een morele benadering van het criminaliteitsvraagstuk. Humanisten hebben het moeilijk met criminaliteit. Het is een onderwerp dat ze het liefst links, of misschien beter rechts, zouden willen laten liggen. Het is voor hen zelfs een pijnlijk onderwerp omdat crimineel gedrag een vraagteken plaatst bij het positieve mens beeld dat veel humanisten koesteren. Zij richten zich bij voorkeur op de potenties in de mens om een goed leven te leiden. Wanneer iemand op een lelijke manier over de schreef gaat, zullen zij eerder de frustratie van het goede zien dan een doorbraak van het kwade. Boosaardig gedrag wordt opgevat als het resultaat van een problematische jeugd of beroerde maatschappelijke omstandigheden. Humanisten zullen zich liever richten op het wegwerken van die negatieve invloeden dan op de correctie van het kwade zelf. Het strafrecht, dat er in wezen op is gericht de slechtheid in de mens te onderdrukken, is dan ook weinig populair in het humanistische bewustzijn. De hoop op beter kan niet komen van een instantie die straft, onderdrukt en disciplineert. Er zijn ook heel wat argumenten voor deze visie te bedenken. Het strafrecht is selectief, gericht op "leedtoevoeging" en biedt weinig perspectief op verbetering. De strafrechtelijke reactie komt te laat, want het kwaad is al geschied en zij reduceert de verhalen van dader en slachtoffer tot een moeilijk te volgen juridisch steekspel.

Maar toch blijkt het strafrecht onontkoombaar. Hoewel in de jaren zeventig even de hoop opflakkerde dat we het zonder zouden kunnen stellen, is de rol ervan momenteel dominanter dan ooit.

De "vraag" naar strafrecht neemt toe, zelfs zodanig dat "het aanbod" het nauwelijks bij kan benen. Zero-tolerance, uitbreiding van bevoegdheden, extra sanctie-mogelijkheden, meer "blauw op straat", strenger straffen, er lijkt geen einde te komen aan de behoefte aan strafrecht. Het is wenselijk om deze groeiende vraag naar strafrecht nader te analyseren, en van humanistisch commentaar te voorzien. Daarbij zij erop gewezen dat "het humanisme" net zo min bestaat als "de criminaliteit". Beide zijn er in soorten en maten. Voor het gemak gaan we er even vanuit dat humanisten gemeen hebben dat zij de menselijke subjectiviteit centraal stellen. Humanisme is geloof in het menselijk subject om zichzelf. (Er zijn dus veel humanisten die dit niet van zichzelf weten.) En criminaliteit definiren we for the time being als de overschrijding van normen, die - al dan niet terecht - zijn geobjectiveerd in de strafwet. Crimineel gedrag is in die zin normatief sterk geladen gedrag. Hoe kunnen we criminaliteit, veiligheid en straf plaatsen in een humanistisch perspectief ?

Number-one-issue

Criminaliteit en onveiligheid hebben aan het begin van de eenentwintigste eeuw geleid tot grote bezorgdheid, zowel van burgers als van de overheid. In bevolkingsonderzoeken scoort onveiligheid keer op keer het hoogste op de problemenlijst, ver boven de gezondheid, het milieu en het asielvraagstuk. Dit is opmerkelijk, omdat tot in het begin van de jaren tachtig onder deskundigen werd gedacht dat het criminaliteitsprobleem redelijk onder de knie was te krijgen. Dat "veiligheid" zo'n belangrijk sociaal thema zou kunnen worden was onverwacht en onverhoopt.

Er zijn op zijn minst drie redenen aan te geven waarom dat het geval is: de toename van criminaliteit, de grotere aandacht voor het slachtoffer en de legitimiteit van de overheid.

In de eerste plaats is er weinig twijfel mogelijk over het feit dat het criminaliteitsprobleem groter is geworden, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. Sinds de jaren zestig vertienvoudigde de door de politie geregistreerde criminaliteit tot ruim een miljoen delicten. Het daadwerkelijke aantal ligt ongeveer op het zesvoudige. Uit de zogenoemde slachtofferenqutes blijkt dat jaarlijks circa een derde van de bevolking een of meer keren te maken kreeg met een delict. Hoewel de groei van het totale "volume" van crimineel gedrag inmiddels tot stilstand is gekomen, blijft de geweldscriminaliteit onverminderd toenemen. Maar ook de aard van de criminaliteit is veranderd. Nederland kreeg in de jaren negentig te maken met ogenschijnlijk ongemotiveerde, ernstige vormen van geweld in uitgaanscentra, voetbalstadions en probleemwijken. Men ging spreken van "zinloos geweld", waarschijnlijk omdat de motieven ervoor nog maar moeilijk invoelbaar zijn: we kunnen ons nauwelijks verplaatsen in de ontremde daders van deze geweldsdelicten. (De term "zinloos geweld" heeft naar mijn mening dan ook vooral een demonstratieve betekenis: men kan en wil zich niet inleven in de motie ven van de dader.) Deze nieuwe gewelddadigheden maken emoties los van verbijstering en woede, die maar al te graag worden gexploiteerd door de media.

En daarmee komen we aan de tweede reden voor de prominente plaats van het veiligheidsvraagstuk in het "postmoderne" bewustzijn: de gevoeligheid voor crimineel of gewelddadig gedrag. De groei en de verandering van criminaliteit is gepaard gegaan met een grotere zichtbaarheid van slachtoffers ervan. Een voorbeeld hiervan is het huiselijke geweld. Alleen als kinderen ernstig bedreigd werden in hun ontwikkeling door verwaarlozing en mishandeling, greep de kinderbescherming via de kinderrechter in. Het gezin bleek echter in veel grotere mate geen haven in a heartless world te zijn. Onder andere door toedoen van het feminisme werd het privleven ontdekt als locatie van gewelddadigheid. Ook op andere terreinen wordt leed "ontdekt", dat voor kort enigszins bleef toegedekt. Hier bij kan worden gedacht aan pesten op school en in de werksituatie of bedreiging van hulpverleners en gezagsdragers. In het algemeen geldt dat het slachtoffer van criminaliteit pas in het begin van de jaren zeventig werd "gezien". Voor die tijd was het slachtoffer hooguit aangever bij de politie en speelde het een rol bij de bewijsvoering. Na de instelling van het schadefonds voor slachtoffers van geweldsmisdrijven in 1975 kreeg men meer oog voor de bejegening van slachtoffers door politie en openbaar ministerie, voor hun opvang en traumaverwerking en voor het recht op schadevergoeding. Hoewel moeilijk met cijfers te staven, lijkt het erop dat ongewenst gedrag en de gevoeligheid voor slachtofferschap beide zijn toegenomen. We hebben te maken met twee zijden van dezelfde medaille: een toenemend aantal daders genereert een evenredig aantal slachtoffers en daarmee ook een grotere aandachtvoor slachtofferschap. Om de enorme belangstelling voor het veiligheidsvraagstuk in de huidige tijd te kunnen plaatsen dient echter nog een derde factor te worden genoemd. Met de opzwiepende beweging van dader- en slachtoffer schap werd criminaliteit ook een politiek probleem. Daarbij dient men zich te realiseren dat de legitimiteit van de overheid direct in het geding is. De ontwikkeling van de natiestaten in de negentiende eeuw werd voor een belangrijk deel gemotiveerd door het veiligheids-vraagstuk, zowel intern als extern. Burgers waren bereid zich te schikken naar de wetten van de staat, onder de conditie dat zij hun veiligheid gegarandeerd wisten door de staat.

De staat ontleent zijn geweldsmonopolie aan de volgende fictieve sociale ruil: onderschikking aan de wet tegen bescherming door het recht. In die zin zijn politie en justitie - als leveranciers van veiligheid - te beschouwen als zeer belangrijke peilers van de (legitimiteit van de) natiestaat. Op het moment dat de bevolking twijfelt aan de bescherming die zij geniet van de overheid, stelt zij in feite de betrouwbaarheid van de staat ter discussie. Het zal de overheid er dan ook alles aan gelegen zijn het veiligheidsprobleem onder controle te houden. In de twintigste eeuw ontstond naast politie en justitie (en defensie) de regulering door de staat van het onder wijs, de sociale zekerheid en de hulpverlening. Gedurende de ontwikkeling van de verzorgingsstaat bleek de veiligheidsgarantie te kunnen worden opgevat als een soort nevenproduct van de overheidsvoorzieningen. Meer inkomen, onderwijs en welzijn leken als van zelf te leiden tot meer harmonie. Voor de huidige criminaliteitsproblematiek geldt dit uitgangspunt echter net meer. Hoewel de ongelijkheid vanaf de jaren tachtig weer lijkt te zijn toegenomen, kan deze nauwelijks verantwoordelijk worden geacht voor de onstuimige ontwikkeling van het criminaliteitsvraagstuk. De toename van welvaart, tot uiting komend in gebruik van alcohol en drugs, de consumptiebehoefte en de groei van keuze mogelijkheden lijken eerder faciliterend dan remmend te werken voor crimineel gedrag. De overheid kan niet zonder meer terugvallen op het sociaal- en christendemocratische adagium dat meer welvaart tot minder criminaliteit leidt. De groei van de criminaliteit, de grotere aandacht voor slachtofferschap en het belang voor de overheid hebben er tezamen toe geleid dat veiligheid kon uitgroeien tot het number one issue van de eenentwintigste-eeuwse welvaartsstaat.

Strafrechtelijke paradox

De roep om meer veiligheid in de samenleving bleef niet zonder gevolgen. Voor een goed begrip zijn nog enkele cijfers noodzakelijk. In een periode van vijftien jaar (vanaf 1986) steeg het aantal cellen van 4.000 tot circa 14.000. In dezelfde periode groeide het aantal taakstraffen (voorheen: "alternatieve sancties") voor volwassenen vanuit het niets tot circa 20.000; de taakstraffen voor jeugdigen tot circa 15.000. De zogenaamde Halt-afdoening (een sanctie buiten het strafrecht om voor minderjarigen voor een beperkt aantal delicten) werd in vergelijkbare mate opgelegd. In vijftien jaar tijd groeiden de nieuw opgerichte straf units van de kinderbescherming uit tot onmisbare instituties. En het Ministerie van Justitie veranderde van een wetgevings- in een beleidsdepartement, waar van het budget ongeveer verdrievoudigde tot circa tien miljard gulden. Ondanks deze gigantische groei van het justitile apparaat, blijft "het bereik"van het strafrecht uiteindelijk beperkt. Van het totale aantal van zes miljoen delicten worden er ruim een miljoen geregistreerd door de politie. (De rest lost men zelf op of men laat het erbij zitten.) Daarvan wordt zo"n vijftien tot twintig procent daadwerkelijk opgehelderd, met als algemene vuistregel dat hoe zwaarder het delict, hoe groter de kans dat er een dader wordt gevonden. Dit percentage is in de afgelopen decennia sterk afgenomen; in 1960 was het ophelderingspercentage nog ruim vijftig pro cent. Uiteindelijk worden er 250.000 processen-verbaal doorgezonden naar het Openbaar Ministerie. In tien procent van deze zaken volgt een of andere vorm van vrijheidsstraf. Aan de hand van deze wat losjes gepresenteerde cijfers wordt duidelijk dat er rond het criminaliteitsvraagstuk iets eigenaardigs aan de hand is. Men zou kunnen spreken van een justitile of strafrechtelijke paradox. Klaarblijkelijk neemt de "vraag" naar strafrecht toe, terwijl "het aanbod" uiteindelijk zeer beperkt is en relatief gesproken zelfs afneemt. De groei van het justitieapparaat is onstuimig, maar desalniettemin gering ten opzichte van het totale criminaliteitsvolume. Maar het aanbod is bovendien ook in kwalitatieve zin beperkt omdat het strafrecht uiteindelijk niet veel "kan". De strafrechtelijke reactie komt (te) laat en is over het alge meen weinig succesvol: de recidivepercentages zijn hoog. Strafrecht is per definitie een (noodzakelijk) zwaktebod, dat pas wordt ingezet als andere middelen falen. En daarmee komen we bij een meer principile reden om te spreken van een strafrechtelijke paradox.

Het strafrecht wordt van oudsher opgevat als een ultimum remedium, een laatste redmiddel dat bij voorkeur wordt vermeden, teneinde de staatsmacht beperkt te houden. Om die reden hebben strafrechtsgeleerden zich veelal toegelegd op de waarborgen voor de verdachte waar mee strafrechtelijke interventie moet worden omkleed. Onder druk van de eerder beschreven urgentie van het veiligheidsvraagstuk is de vraag naar strafrecht echter enorm toegenomen. Er is met andere woorden steeds meer vraag naar een laatste remedie. De maatschappelijke positie van het strafrecht is daarmee drastisch gewijzigd. In plaats van een ultieme remedie zou eerder gesproken kunnen worden van een urgente remedie.

Een normatief bolwerk

Dat het strafrecht een dergelijke urgente rol is gaan spelen, wordt nog weinig onderkend. Het is van belang om deze urgente rol nader te specificeren. Met de ontzuiling werden de controlerende en disciplinerende instituties in belangrijke mate ontvoogd. In het gezin, de school, de werksituatie, het welzijnswerk en het verenigingsleven werd afstand genomen van de traditionele gezagsverhoudingen. In de verzuilde plichtenethiek was een samen-hangend geloof in het goede en het kwade gekoppeld aan alledaagse voorschriften, omgangsvormen en rituelen. Deze werden in de jaren zestig ontmaskerd als onwaarachtig, betekenisloos of autoritair. Daarmee is niet gezegd dat er een soort immoreel tijdperk begon, zoals conservatieve politici ons willen doen geloven. Maar de aard van de morele aanspraak van individuen veranderde op een zeer wezenlijke manier. De plichtenethiek verschoof in de richting van een gevoelsethiek, waarin de individuele waardigheid en het inlevingsvermogen in de ander tot hoogste goed werden verklaard. In wezen was er sprake van een humanistische revolutie, die al werd aangekondigd met de seculiere morele voorschriften van Kant, maar in de jaren zestig pas definitief zijn beslag kreeg. De grote verhalen verloren hun geloofwaardigheid en het individu kreeg meer dan ooit de gelegenheid zijn eigen leven, en dus zijn eigen moraliteit te bepalen. Voor zover het hier om de bepaling van "het goede leven" ging, leek er sprake te zijn van een belangrijke verworvenheid. Ieder kon zijn eigen God kiezen, of men kon zelfs denken zelf God te zijn. Dit leidde weliswaar tot zingevingsproblematiek, en een navenante heropleving van de interesse voor religie. Maar over het algemeen was men geneigd deze ontwikkeling positief te waar deren. Men zou - met Levinas en Bauman - zelfs kunnen spreken van de mogelijkheid tot een authentieke moraliteitsbeleving. Men koos zijn eigen invulling van het goede leven, en mocht hopen dat anderen bereid waren ernaar te luisteren of er een voorbeeld aan te nemen. Maar ook de keerzijde van de moraal, het kwade, verloor zijn vanzelfsprekende institutionele en ideologische inbedding. Als "het goede leven" is vrijgegeven, zijn er geen beslissende termen meer om een slechte invulling ervan af te wijzen. De enige termen die ons resten zijn de afkeer van wreedheid, de afwijzing van vernedering, de weer zin tegen leed. De burgermarsen tegen het "zinloze geweld" zijn een uiting van deze situatie. We vinden elkaar rond de afwijzing van evidente vormen van wreedheid. Er ontwikkelt zich een vorm van solidariteit rond slachtofferschap van criminaliteit. De verschuiving in de moraal van plichten-ethiek naar gevoelsethiek vindt in de verboden die in het strafrecht zijn gecodificeerd haar piece de resistance. Het strafrecht vormt in zekere zin het laatste "harde" normatieve bolwerk in een overigens ontvoogde wereld. De klassieke doeleinden van strafrecht zijn vergelding van het delict, speciale preventie door resocialisatie van de dader en afschrikking van anderen om hetzelfde te doen. Kenmerkend voor de huidige situatie is dat deze doelen zijn samengebald in een nadrukkelijke normatieve functie van het strafrecht. Het in het Wetboek van Strafrecht omschreven gedrag legt als het ware een bodem in de postmoderne moraliteit, waarover nog slechts in zeer beperkte mate kan worden onderhandeld. In het strafrecht keert de wal het schip: het morele relativisme vindt zijn grens in de door de staat, c.q. de volksvertegenwoordiging, strafbaar gestelde gedragingen. Deze toestand verklaart waarom het strafrecht zo een centrale rol is gaan spelen in de handhaving van de sociale orde. De normatieve functie van het strafrecht levert fricties op tussen de verwachtingen en de mogelijkheden ervan. Zo hebben politiecommissarissen er een traditie van gemakt om in nieuwjaarstoespraken meer bevoegdheden te eisen, waarop door juristen als in een reflex wordt tegengeworpen dat de rechtsbescherming in het geding is. De maatschappelijke (instrumentele) functie van het strafrecht staat tegenover de rechtsbescherming van de burger, die gericht is tegen willekeur van de staat. Er zijn nog vele andere voorbeelden te vinden van de hoge verwachtingen die men ten aanzien van het strafrecht koestert, zoals de roep om hogere straffen en de kritiek op de juridische zuiverheid die in het strafproces wordt nagestreefd.

Verzakelijking en moralisering

De hierboven beschreven grote druk op het strafrecht als normatieve instantie heeft twee effecten opgeleverd, die hier kort zullen worden uitgewerkt. Deze effecten zijn te typeren met de termen rationalisering en moralisering.

De rationalisering van het strafrecht blijkt in de eerste plaats uit de bedrijfsmatige benadering van het strafproces. In justitile beleidsdocumenten van het laatste decennium wordt gesproken van de strafrechtsketen, waarbij een poging wordt gedaan de schakels daarvan zo goed mogelijk op elkaar aan te laten sluiten. Deze bedrijfsmatige benadering is met name door procureur-generaal Steenhuis in woord en geschrift uitgedragen, en valt samen te vatten als de poging om wat men doet in zakelijk opzicht ook goed te doen. De keten van aangifte bij de politie, opsporing, vervolging van de dader en executie van de straf wordt beschouwd als een bedrijfsproces, met "de burger" als "klant" en de sanctie als "product". De strafrechtelijke keten onderscheidt zich in deze benadering niet wezenlijk van willekeurig welk ander bedrijfsproces. Deze zienswijze past vanzelf sprekend binnen een algemenere tendens om de taken van de overheid op bedrijfsmatige leest te schoeien. Op zichzelf valt er veel voor te zeggen om op deze wijze de efficintie van de strafrechtspleging te verbeteren. Het levert een antwoord op de kritiek die vanaf de jaren tachtig ontstond op de traagheid en de onvolkomenheden in het optreden van politie en justitie. Het is echter de vraag of deze efficiency-slag op den duur voldoende is om de achterliggende veiligheidsproblematiek op een geloofwaardige manier aan te pakken. Vanuit de hiervoor gegeven analyse verschijnt het veiligheidsvraagstuk niet als een technisch beheersprobleem, maar in de eerste plaats als een normatief probleem. De strafrechtspleging is niet zozeer doel als wel middel - maar een beperkt middel - om bij te dragen aan de normatieve vormgeving van de samenleving. Het is van belang om de roep om meer en harder strafrecht in deze betekenis te interpreteren. Het gaat hierbij niet zozeer om een roep om inperking van de vrijheid door "meer strafrecht", maar om de achterliggende behoefte aan een normatieve structuur, waar binnen de historisch ongekende vrijheid op een veilige manier kan worden gevierd. Enigszins populistisch gesteld zou men kunnen zeggen dat de burger zich veilig wil voelen op straat, in het zwembad of in het voetbalstadion. Hij wil zijn kinderen op een veilige school weten en niet in de piepzak zitten als zij uitgaan. Dergelijke triviale essenties van burgerschap zijn in het laatste kwart van de vorige eeuw minder vanzelfsprekend geworden dan ze lange tijd geweest zijn. Om aan deze behoefte tegemoet te komen schiet het strafrecht per definitie tekort. In dit verband is rond de veiligheidsproblematiek een tweede tendens te signaleren die kan worden aangeduid als een moralisering van de criminaliteit. Zowel binnen het strafrecht als daarbuiten zijn in de afgelopen twintig jaar vormen ontstaan die verder gaan dan het zakelijke strafrecht. Een aantal daarvan is in de loop van dit artikel reeds terloops genoemd: de taakstraffen (aanvankelijk alternatieve sancties genoemd) zijn een poging om de straf meer betekenisvol te maken voor de dader, het slacht offer en de gemeenschap. De dader verricht diensten die de schade voor het slachtoffer of de gemeenschap kunnen herstellen. Daarnaast kan door de rechter (of bij kleinere delicten direct door de officier) schadevergoeding aan de dader worden opgelegd. Deze mogelijkheid is gepaard gegaan met voorschriften voor politie en justitie voor de bejegening van slachtoffers. Een duidelijke moralisering is tevens waarneembaar in de ontwikkeling van de slachtofferhulp, waarbij vrijwilligers - als vertegenwoordigers van de gemeenschap hun medeleven betonen aan slachtoffers van criminaliteit en steun bieden bij de verwerking van hun ervaringen. De moralisering van het criminaliteitsprobleem is ook zichtbaar in alle mogelijke vormen van criminaliteitspreventie. In toenemende mate worden pogingen gedaan vroegtijdig, en buiten het strafrecht om crimineel gedrag te voorkomen. Een voorbeeld hiervan zijn de eerdergenoemde Haltprojecten, maar tevens kan worden gewezen op wijkgerichte programma"s om onveiligheid in wijken tegen te gaan door het opvoedingsklimaat in probleemwijken te verbeteren. Vergelijkbare initiatieven zien we rond probleemjongeren uit etnische minderheden en vertegenwoordigers van de zogenoemde "harde kern" van criminele jongeren. Daar bij wordt gezocht naar vormen van stringente individuele begeleiding. Van een enigszins andere aard zijn de projecten "Justitie in de buurt" waarbij justitie in probleemwijken, tezamen met andere instanties, werkt aan het terugdringen van de onveiligheid. Het strafrecht heeft in deze situatie expliciet de hiervoor beschreven normatieve functie aan zich getrokken, teneinde andere maatschappelijke organisaties, zoals scholen, het welzijnswerk en jeugd zorg preventief te kunnen laten werken. Vergelijkbaar zijn de projecten met buurtbemiddeling, waarin juist onafhankelijk van politie en justitie, getracht wordt bij conflicten in de buurt te laten bemiddelen door getrainde vrijwilligers. Op deze wijze kan erger worden voorkomen. In dit verband kunnen ook de Marokkaanse "buurtvaders" genoemd worden in Amsterdam-West die iedere avond rond gaan in de buurt om hun zonen aan te spreken op mogelijk wangedrag. Van weer andere aard is een aantal projecten rond herstelbemiddeling tussen daders en slachtoffers. In deze gevallen gaat het om confrontaties van daders en slachtoffers - soms voorafgaand, dan weer na afloop van het strafproces - gericht op leed- en schuldverwerking en verzoening. Hoewel deze initiatieven verschillend zijn van aard en institutionele inbedding kunnen zij worden samengebracht onder de Angelsaksische noemers community justice of restorative justice. Zij zijn gericht op het tegengaan van escalatie, op normontwikkeling of -bevestiging, op herstel van schade voor slachtoffer of gemeenschap en op re”ntegratie van de daders. Zij staan in zekere zin haaks op de tendens tot verzakelijking, omdat zij het delict niet opvatten als een technisch-juridische aangelegenheid, maar als een normatief probleem van de gemeenschap.

Humanisme en veiligheid

De uitspraak dat elke maatschappij de criminaliteit krijgt die zij verdient, kan worden beschouwd als een van de clichs van de criminologie. Zij is tegelijkertijd evident en nietszeggend. Klaarblijkelijk brengt de ontvoogde postmoderne cultuur een groot veiligheidsprobleem met zich mee. Er zijn in de criminologie vele verklaringen geopperd, die alle een zekere waarheid bevatten. We kennen de sociologische verhandelingen over de tweedeling, het materialisme, de problemen van etnische minderheden, de "vrije" opvoeding, de open grenzen, de drugs- en alcoholproblematiek, de mannelijkheidscultuur en dergelijke. Daarnaast worden op individueel niveau analyses gegeven van risicofactoren die kunnen leiden tot crimineel gedrag: een cumulatie van persoonlijke aanleg (zoals het ADHD-syndroom), negatieve gezins- en omgevingsfactoren en dergelijke. Kenmerkend voor deze criminologische verklaringskunde is dat crimineel gedrag wordt begrepen uit factoren buiten de individuele wil om. oor zover het individuele subject een rol speelt in deze verklaringen verschijnt hij als een rationele actor die op basis van een soort kosten- en batenanalyse kiest voor de voor hem beste optie (de calculerende burger). In sommige omstandigheden zal dit crimineel gedrag zijn. In deze vormen van criminologie- beoefening wordt het individu, als moreel subject, in feite handelingsonbekwaam verklaard. Daarmee staat het academische denken over criminaliteit in zekere zin haaks op de principile vooronderstelling van het strafproces, namelijk dat de dader (of de verdachte) heeft gehandeld uit vrije wil. Hoewel de strafrechter bereid zal zijn rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de dader, wordt het individu, als rechtssubject, in de eerste plaats aangesproken op zijn morele verantwoordelijkheid: je hebt het gedaan dus je hebt het ook gewild ! Daarin schuilt naar mijn mening een belangwekkend uitgangspunt voor een humanistische kijk op criminele gedragingen. Crimineel gedrag kan wellicht worden verklaard uit allerhande factoren, maar daarmee is de morele betekenis ervan niet begrepen. Crimineel gedrag is eerst en vooral op te vatten als een morele act. Indien we de dader serieus willen nemen in zijn morele competentie, dan gaan we ervan uit dat voor hem een andere keuze mogelijk is geweest. Deze zienswijze breekt met de deterministische sociaal wetenschappelijke benadering van criminaliteit en vraagt opnieuw aandacht voor de eigen verantwoordelijkheid van het individuele subject. De criminologische verklaring ontneemt de betrokkene als het ware zijn delict. Het wordt gezien als een symptoom van iets anders. Het delict is dan niet een keuze voor een kwade daad, maar een ten prooi gevallen zijn aan factoren buiten de wil van de betrokkene om. Deze criminologische rationalisering is in zekere zin contra-intu”tief. Wij houden elkaar in het dagelijks verkeer immers ook verantwoordelijk voor onze daden en uitspraken. En ook van daders is bekend dat zij hun eigen gedrag vaak afwijzen. Zij hopen wellicht op begrip van hun medemensen, maar zijn verrast als hun slechte daden worden weg verklaard. In de verklaring wordt hun innerlijke motivering in wezen ontkend. De straf zal hen als onredelijk voorkomen indien hen hun schuld wordt ontnomen. De determinering van hun daden ontneemt in essentie de zeggenschap over het eigen gedrag. Maar wij willen ons eigen gedrag gewild hebben. De erkenning van de eigen verantwoordelijkheid van het morele subject kan worden opgevat als een belangrijk erfgoed van de humanistische traditie. Dit is eens temeer het geval nu de plichtenethiek is weggevallen als determinerend kader. Als het ideologische geloof in de maakbaarheid van de mens wegvalt, dient een uiterste consequentie onder ogen te worden gezien. De postmoderne vrijheid om voor zichzelf het goede leven te kiezen, betekent dat ook het kwade dient te worden begrepen als (verkeerd gekozen) levensproject. De postmoderne moraliteit maakt het mogelijk, en misschien wel noodzakelijk, criminaliteit als authentieke morele daad te begrijpen, en af te wijzen. Crimineel gedrag is dan niet zozeer de afwijking van de van bovenaf opgelegde norm, maar de ontkenning van een fundamenteel uitgangspunt van een humanistische cultuur: de (h)erkenning van (de vrijheid van) de ander. Dit betekent niet dat we geen oog meer hebben voor omstandigheden van daders, en geen oor meer hebben voor hun verhaal. Integendeel, de eigen motivering voor het gekozen gedrag wordt zelfs de kern van de communicatie met hem. We accepteren de dader als moreel subject, maar wijzen op goede gronden zijn daden af. Zoals we onszelf kennen als moreel subject, dat kiest in de dilemma's van goed en kwaad, zo spreken we ook de ander, ook de criminele dader, aan op zijn keuzen. En daarmee wijst de strafrechter ons, in zijn zuivere rol, op een centrale vooronderstelling van een humanistische cultuur: de morele aanspreking tot subject. De urgente rol die momenteel wordt toegekend aan het strafrecht krijgt een diepere betekenis indien we ons realiseren dat daarachter een veel fundamenteler ver langen schuilgaat. De roep om meer strafrecht ontleent zijn inspiratie aan de normatieve eenduidigheid van het strafrecht. Het strafrecht vertegenwoordigt immers de afwijzing van gedrag dat anderen schade toebrengt of de normen van de gemeenschap ondergeschikt maakt aan de invulling van het eigen levensproject. Strafrechtelijk gedefinieerde normen wijzen ons op de kwetsbaarheid van morele posities, op de morele ambivalenties van anderen en op die van onszelf.

De postmoderne zondeval

In een religieus ge”nspireerde samenleving heeft het kwade, evenals het goede, welomschreven verschijningsvormen. Hoewel in het verleden het aantal kerkelijke groeperingen in Nederland ongekend groot was, was over het algemeen sprake van gemeenschappelijke afwijzing van criminaliteit. Dit gold onverkort voor niet religieuze ideologien als het socialisme en het liberalisme. De verboden van het strafrecht lagen ingebed in een normatieve omgeving van verzuilde instituties. Criminaliteit had als het ware een culturele pendant in "de zonde". De strafrechter en de dominee spraken een andere taal, maar hadden een gelijkgerichte intentie: het behoeden voor het kwade. Willem Frederik Hermans zei ooit dat een pastoor meer betekende voor het voorkomen van criminaliteit dan honderd politieagenten. Dat lijkt op zichzelf een juiste constatering, maar wie luistert er nog naar de pastoor ? Daarvoor was de eerder gestipuleerde humanistische revolutie te succesvol. De ont-ideologisering die kenmerkend is geweest voor het einde van de vorige eeuw, heeft een grote weerslag gehad op het domein van schuld en boete. De normatieve instituties die tussen de staat en de burger in stonden, hebben als "behoedende" instanties hun betekenis voor een belangrijk deel verloren. Het strafrecht kwam er als het ware alleen voor te staan om kwade tendensen in de samenleving te keren. Een wetenschappelijk, zo men wil technocratisch antwoord op de verschijningsvormen van het kwaad is ervoor in de plaats gekomen. Aan crimineel gedrag worden, zoals gezegd, velerlei oorzaken gekoppeld, die stuk voor stuk hun eigen remedie met zich meebrengen. Voor ADHD- patinten zijn er medicijnen, slecht verlichte "enge" plekken kunnen van lantaarnpalen worden voorzien, inbraak kan worden tegengegaan door hang- en sluitwerk, voor allochtonen is er het taalonderwijs en voor voetbalvandalen is er de ME. Uiteindelijk is er het strafrechtelijk ingrijpen dat reageert op crimineel gedrag door extra leed toe te voegen. Vanuit een pragmatisch oogpunt zijn dit stuk voor stuk logische, min of meer noodzakelijke remedies, die desalniettemin een gevoel van onbehagen oproepen, of het reeds bestaande onbehagen versterken. Het antwoord op de problemen die de gerationaliseerde cultuur heeft opgeroepen, dreigt te worden gevonden in een verdergaande rationalisering; dat wil zeggen, verder weg van de essentie van crimineel gedrag, namelijk de overschrijding van een norm. De humanistische revolutie is naar mijn mening mislukt - en er gaan ook steeds meer stemmen op in die richting - indien zij blijft stamelen ten aanzien van wat ik voor de gelegenheid "de postmoderne zondeval" heb genoemd. Naast de gerationaliseerde antwoorden constateer ik echter ontwikkelingen die duiden op een moralisering van het veiligheidsprobleem. In en rondom het strafrecht ontwikkelen zich praktijken die met oog voor de motieven van de dader, het leed van het slachtoffer en de belangen van de gemeenschap een antwoord formuleren dat dichter blijft bij het normatieve karakter van de criminele handeling. In die zin schuilt in de huidige veiligheidsproblematiek een belangrijke mogelijkheid tot een nieuw moreel elan in de postmoderne cultuur. De Franse socioloog Emile Durkheim heeft gezegd dat alleen tijdperken die moreel verdeeld zijn, inventief kunnen zijn op het gebied van de moraal. Het heeft er alle schijn van dat een dergelijk tijdperk momenteel is aangebroken.

Grote geesten houden zich bezig met ideen, middelmatige geesten met gebeurtenissen en kleine geesten met personen...
Klacht indienen
Previous TopicTopicNext Topic
New Topic Topic Locked
Printer Friendly
Jump To:
Pim Fortuyn Forum 2002 - 2009 MIA Go To Top Of Page
Deze pagina werd u toegeworpen in 0.34 seconden Powered By: Snitz Forums 2000 Version 3.4.03