|
Martin Kievits
Ervaren Forumlid (serieus betrokken)
 
Netherlands
637 Posts
|
Posted-30 Jun 2003: 13:05:12
|
Opportuun, orgaan van het OM, 30-06-2003
Oud-hoofdofficier Albert Bosch
'Gevangenisstraf alleen helpt niet'
Een gewone strafzaak met bijzondere kanten. Zo noemt Albert Bosch, oud-hoofdofficier van Leeuwarden, de strafzaak tegen de Molukse treinkapers in de jaren zeventig. 'Het Asser parket zorgde voor de strafzaak, en ik was voor die bijzondere kanten.' De laatste aflevering van een serie interviews met oud-hoofdofficieren.
Het tweejarige jongetje kijkt onzeker en met grote ogen de wereld in, zijn handjes tastend naar houvast. De tekening hangt een beetje verscholen achter de boekenkast in de ontvangstkamer op de eerste etage van de stadswoning van Albert Bosch, in het centrum van Leeuwarden. Het is een portret van de kleine Albert zelf, gemaakt door de kunstenaar Henrit in 1935. 'Een bekend tekenaar destijds', weet Bosch te vertellen. 'Gearresteerd vanwege zijn verzetswerk overleefde hij de oorlog niet.'
Vijftien jaar, van 1980 tot 1995, was Bosch hoofdofficier in Leeuwarden, en ondanks zijn achtergrond - hij werd geboren in Amsterdam en groeide op in Breda - voelt hij zich geworteld in de Friese hoofdstad. Zijn echtgenote en hijzelf zijn actief in tal van besturen, en het huis ligt lekker centraal in de binnenstad. 'Ik loop overal zo naar toe.'
Bosch oogt als een tevreden mens die met lezier terugblikt op zijn carrire bij het Openbaar Ministerie. 'Spannend', noemt hij zijn werk als officier van justitie, en later als hoofdofficier. 'Ik heb het altijd vreselijk naar mijn zin gehad.' Niet dat een loopbaan in de voetsporen van zijn vader, die hoofdofficier van justitie in Breda was, voor de hand lag. Van huis uit was Bosch veel meer historicus dan jurist. Op zijn eindlijst van het stedelijk gymnasium - 'bepaald een van de dieptepunten in mijn leven, ik moest erg op mijn tenen lopen' - prijkte een tien voor geschiedenis. Maar het leraarschap lonkte niet echt, en, toegegeven, dat had ook met de status van het beroep en de betaling ervan te maken. Dus werd het toch een studie rechten in Leiden, die hij in 1960 afrondde. Hij promoveerde vervolgens op een analyse van het werk van de Staatscommissie De Wal, die tussen 1870 en 1875 een ontwerp voor het wetboek van strafrecht opstelde, en ging in 1964 als raio aan de slag in Amsterdam. Daar leerde hij zijn vrouw kennen die eveneens rechterlijk ambtenaar was. Het was in die tijd echter uitgesloten dat echtelieden werkzaam waren in hetzelfde arrondissement, en dus verkaste Bosch naar Utrecht waar hij eerst op de griffie en later op het parket werkte. Utrecht was een modern parket in die tijd, herinnert Bosch zich, waar de geest van de zogeheten Utrechtse School voelbaar was. 'De toenmalige hoofdofficier Overbeek was een van de adepten van deze wetenschappelijke stroming die uitging van een progressieve bejegening van delinquenten', legt hij uit. 'Het idee dat mensen het minder konden treffen in het leven, daardoor crimineel gedrag konden ontwikkelen, maar daarin op een positieve manier te corrigeren waren, dat optimisme sprak me erg aan.' In de begin-periode behandelde Bosch vooral verkeersovertredingen - 'ik had nog geen rijbewijs, dus ik stond objectief tegenover dit soort zaken, zei ik altijd' - later kwamen daar meer complexe zaken bij. Een klein stenen beeldje van een koe herinnert nog aan een zaak waarin Bosch een boer vervolgde die zijn vee ernstig had verwaarloosd, hij kreeg het van zijn vrouw. 'Het was een zeer gevarieerde praktijk', concludeert hij achteraf, 'elke officier had een eigen winkeltje, ik genoot van die vrijheid.'
Verstofte toestand
Toch realiseerde Bosch zich al aan het begin van de jaren zeventig dat de rechterlijke macht een wel erg gesoleerde en op zichzelf staande wereld vormde. Publicaties in de pers, waarin kritiek op met name de strafrechtspleging werd gespuid, nam hij vanaf het begin serieus. 'Men vond de rechterlijke macht een verstofte toestand, en ik kon me die kritiek wel voorstellen', zegt Bosch. 'In ieder geval moesten we er iets mee.'
Het zal deze bredere visie op de organisatie zijn geweest, gecombineerd met de ervaring die hij als gedetacheerd ambtenaar op het ministerie had opgedaan, die hem in de armen van de Staatscommissie herziening rechterlijke organisatie dreef. Op dat moment was hij werkzaam als officier van justitie in Den Bosch, maar tijdelijk uitgeleend aan het parket in Assen waar de strafzaak tegen de Molukse kapers van de trein bij Wijster diende. Bosch typeert deze zaak als 'een gewone strafzaak met bijzondere kanten'. Een uniek proces waarbij sprake was van overtuigingsdaders en vele politieke voetangels. Bosch herinnert zich dat het ministerie van Justitie twee eisen stelde in deze zaak: de eigen mensen van het Asser parket moesten de zaak aanpakken - het moest immers een zo gewoon mogelijke strafzaak zijn - en er mochten geen ongelukken gebeuren. Dat laatste betekende dat het bewijs rond moest komen en de daders moesten worden veroordeeld.
Gezien de precaire politieke context mocht Bosch, die immers Haagse ervaring had en de sfeer op het ministerie enigszins kende, de zaaksofficier bijstaan. Dat betekende dat hij veel praatte op het departement om af te tasten wat wel en niet mogelijk was. 'Wat konden we wel en niet zeggen over Zuid Molukkers, over de Molukse gemeenschap, dat soort vragen kwamen aan de orde.' Bosch ontkent dat sprake was van een zuiver politiek proces. De vrijheid die het OM kreeg, werd door de toenmalige minister van Justitie Van Agt niet ingeperkt, verzekert hij. Maar natuurlijk kwam er de nodige diplomatie om de hoek kijken. Bosch: 'Minister van Agt had zich publiekelijk zeer laatdunkend uitgelaten over een fotograaf die uit de verte had vastgelegd hoe een van de kapers een gijzelaar doodschoot. De foto was zeer tegen de zin van de minister gepubliceerd. Wij hadden die foto eigenlijk nodig voor het bewijs, maar dat lag dus moeilijk. De minister maakte geen problemen. Wel werd afgesproken dat wij de foto niet lichtvaardig zouden gebruiken. Achteraf bleek de foto onbruikbaar omdat de schutter niet was te identificeren. Uiteindelijk was er voldoende bewijs en werden alle daders veroordeeld. Ik weet niet meer om hoeveel jaar het ging. Er is geen hoger beroep ingesteld, dat weet ik nog wel. We hebben het netjes gedaan.'
Schoorvoetend
Hoewel de Staatscommissie herziening rechterlijke organisatie in 1985 met heldere voorstellen kwam, volgde de verwezenlijking daarvan maar schoorvoetend. De reorganisatie van het Openbaar Ministerie liet nog ruim tien jaar op zich wachten. Die van de zittende magistratuur bijna twintig. Van de voorstellen van de Staatscommissie is veel gerealiseerd, maar er blijft nog te wensen over, met name op het gebied van het hoger beroep. Bosch zat al die tijd niet stil, en werd in 1980 hoofdofficier in Leeuwarden. 'Ik had ook advocaat-generaal kunnen worden, maar het leek me leuker een eigen tent te runnen.' Zijn vrouw vond als rechter emplooi bij de rechtbank Zwolle.
'Het departement is ons altijd zeer ter wille geweest op dit punt', wil Bosch graag kwijt. 'Wij hebben altijd beiden kunnen werken dankzij de medewerking van de toenmalige dienst rechtspleging (hoofdafdeling rechterlijke organisatie, red.).'
'Leeuwarden was een provinciestad die op zaterdagavond werd overgenomen door tieners', typeert Bosch zijn eerste indruk van zijn nieuwe werkplaats. 'Ik trof een goed ambtelijk parket waar goede officieren werkten. Alleen de kantoororganisatie was ouderwets en vergrijsd. Ik herinner mij nog een bezoekje van de vaste kamercommissie van justitie aan het parket. Ik moest haar laten zien hoe de zaken nog steeds met de hand in van die grote folianten werden ingeschreven, van die boeken die eigenlijk op een lessenaar moesten staan. Dat was begin jaren tachtig. Nog niet eens z lang geleden hoor.'
Zodra de mogelijkheid zich voordeed, stortte Bosch zich op de automatisering van deze werkprocessen. Hij introduceerde de eerste computers waardoor de administratieve ondersteuning veel nauwkeuriger leerde werken. De procureurs-generaal kregen steeds meer belangstelling voor de mogelijkheden van de informatica. Bosch werd voorzitter van AUTOCOM, de automatiseringscommissie Openbaar Ministerie, waaruit uiteindelijk het project COMPAS groeide.
Bij de totstandkoming ervan was Bosch nauw betrokken. 'Een krankzinnige operatie, alle software moest worden ontworpen, er was niemand die alle technische, juridische en administratieve aspecten beheerste.' Aanvankelijk was hij naef over de complexiteit van het geheel, geeft Bosch toe. 'Ik dacht, je hebt wat machientjes, wat systeempjes en dat geheel gaat een jaar of zes mee. Dat vervang je dan door iets nieuwers en beters. Maar een automatiseringssysteem als COMPAS is vele malen gecompliceerder. Het OM werkt er nog steeds mee, hoewel GPS er aan lijkt te komen. Dat had ik nooit gedacht.'
Het gevaar van projecten als deze is dat het bij mooie ideen alleen blijft, waarschuwt Bosch. Gezien zijn staat van dienst weet hij dat plannen, ook op het organisatorische vlak, concree resultaat moeten hebben willen ze van waarden blijken. De reorganisatie van het OM volgens de ideen van de commissie-Donner is daarvan een goed voorbeeld. 'Iedereen wist dat er iets moest gebeuren natuurlijk. De commissie liet duidelijk zien wat het doel was en hoe je dat moest bereiken. Wij kwamen uit een situatie waarin de hoofdofficier uit eigen zak het kopje koffie en de gevulde koeken betaalde als hij een buitenlandse delegatie op bezoek had, omdat hij anders eerst toestemming aan het departement moest vragen. Nu beheersen de hoofdofficieren hun eigen budgetten.' Maar een organisatie is nooit klaar met veranderen, waarschuwt hij meteen daarna. 'De oprichting van het Landelijk Parket heb ik destijds toegejuicht, evenals de komst van het Functioneel Parket waar de bijzondere opsporingsdiensten zijn ondergebracht. Dat zijn goede ontwikkelingen, zolang de gewone parketten maar genoeg interessante zaken behouden.'
Detentie
Voorlopig hoeft hij zich daarover geen zorgen te maken, glimlacht de oud-hoofdofficier, delinquenten genoeg, helaas. Delinquenten teveel zelfs, en dat baart Bosch wel degelijk zorgen. 'De tekorten in het gevangeniswezen zullen oplopen, en als we geen andere vormen van detentie toepassen, vrees ik het ergste.' Hij kan het weten, want als lid van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming bezoekt hij nog regelmatig penitentiaire inrichtingen en ziet daar met eigen ogen dat de problemen zich opstapelen. Dan openbaart zich aan het eind van het gesprek weer de bevlogen officier van justitie die hij was, in de jaren zeventig, doordrenkt van het gedachtegoed dat niet iedereen het treft in het leven. 'Het product detentie voldoet maatschappelijk totaal niet gezien de hoge recidivepercentages. Met andere woorden: gevangenisstraf alleen helpt niet. Een zware maatschappelijke begeleiding van delinquenten nadat ze uit de bak komen is heel erg noodzakelijk, maar ja, dat kost natuurlijk geld.' Hij parafraseert een spreuk die op het Amsterdamse spinhuis valt te lezen. Ik wreek geen kwaad, maar dwing tot goed. Dat moet het doel van het strafrecht zijn, vindt Bosch, dwingen tot goed doen. 'Detentiefasering is nuttig, een goede en strakke begeleiding door de reclassering helpt om meer rendement uit vrijheidstraffen te halen. Ik ben van oordeel dat mensen veel beter een zware werkstraf kunnen verrichten of een tijd elektronisch huisarrest kunnen ondergaan, waardoor ze in de maatschappij blijven functioneren en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid waar moeten maken, dan enige tijd achter slot en grendel te vertoeven. Maar ja, het grote publiek vindt zo'n vorm van strafbejegening maar slap en roept om strengere straffen. En de politiek roept mee. Gevangenissen kosten echter ook geld. En wat leveren ze op?'
Grote geesten houden zich bezig met ideen, middelmatige geesten met gebeurtenissen en kleine geesten met personen...
|
|
Klacht indienen
|
|